Verslag van een filosofisch gesprek over democratie zonder verkiezingen

“Voordat we specifiek ingaan op de vraag of democratie zonder verkiezingen een goed idee is, wil ik beginnen bij het basisidee van samenleven”, leg ik voor aan de nieuwsgierigen bij het tweede filosofische gesprek van Denkstof. “Hebben we überhaupt regels nodig om samen te leven?” 

“Niet per se. We kunnen ook anarchisme hebben zonder regels, waar iedereen gewoon pakt wat die pakken kan”, opent iemand het gesprek. “Is dat een fijne manier van samenleven?” Veiligheid komt daarbij al snel in het gedrang, als iedereen pakt wat die wilt en dan vooral de sterksten alles pakken. Bepaalde regels - en daarbij ook een vorm van bestuur om die regels te maken - lijkt dan nodig om veilige manier goederen eerlijk te verdelen. “Er staat toch altijd wel een sterke leider op” brengt een ander in. Dat brengt ons bij de volgende stap: als er regels nodig zijn, wie maakt die dan?

Democratie betekent in het oud Grieks letterlijk dat het volk de macht heeft. Het volk zou dus op een bepaalde manier (direct of indirect) de regels moeten maken in een democratie. Maar is het volk hier het beste toe in staat, of hebben we liever een dictatuur? Niemand voelt zich uitgenodigd om een dictatuur te verdedigen, dus die optie gaan we niet op in (al had ik hier best even de advocaat van de duivel mogen spelen). Experts met de relevante kennis, zouden moeten besturen en niet het volk, denkt iemand. Om te bepalen wat relevante kennis is leg ik een praktijkvoorbeeld voor: het gebied rondom de oude school in Utrecht Zuilen waarin we filosoferen, inclusief de rij monumentale bomen, wordt heringericht. Hoe bepalen we of de school en bomen bewaard moeten blijven? “Een bomenexpert kan bepalen of de bomen ziek of gezond zijn”, brengt iemand terecht in. Echter: “Als de bomen en de school nog in redelijke staat zijn, wie bepaalt dan of de bomen en de school nog waardevol zijn?” leg ik voor. Hier lijken de bewoners (het volk) een cruciale rol te spelen. Zij zijn het immers voor wie de wijk leefbaar moet zijn. De waarde die zij toekennen aan de school en bomen is dus cruciale kennis voor hoe de wijk ingericht moet worden. In dat opzicht zijn ook bewoners “experts”. Ook al is dit maar een klein lokaal voorbeeld, het illustreert aardig dat je niet altijd hoeft te kiezen tussen een technocratie van experts of een democratie. Burgers en volksvertegenwoordigers kunnen een besluit maken met input van experts. Hoe ziek een boom is, is een technische discussie. Hoeveel waarde we aan veiligheid, geschiedenis en natuur hechten is een vraag voor ons allemaal. 

Laten we kijken naar ons huidige democratische stelsel op landelijk niveau: “Waarom hebben we eigenlijk verkiezingen?” Iemand merkt op dat verkiezingen politici dwingen om te luisteren naar de kiezer. Eens in de vier jaar moeten ze immers herkozen worden, dus al te bont kunnen ze het niet maken. Verkiezingen hebben dan een controle functie, die de macht enigszins bindt aan de wil van het volk. “Dat is inderdaad de ideale theorie. Maar werkt dit ook zo? Wat is er nodig om deze controle functie goed te laten functioneren?”, vraag ik. Mensen dienen goed geïnformeerd te zijn en op basis hiervan kiezen. Nederland heeft relatief gezien een gezond functionerende pers en middelen voor een transparant bestuur (al worden WOB-verzoeken soms geheel zwart gemaakt). Er is dus veel informatie beschikbaar, maar kiezen mensen ook op rationele basis van alle beschikbare informatie? Dit is meer een vraag voor een empirisch onderzoek (volgens mij blijkt hier o.a. uit dat mensen partijen in lijn met eigen idealen kiezen, maar in hoeverre mensen slecht functioneren daadwerkelijk afrekenen is mij niet bekend). Voor nu kunnen we enkel constateren dat tijdens verkiezingen men soms wegkomt met onmogelijke beloftes (denk aan het duizendje van Rutte). En dat het onmogelijk is voor kiezers om alle relevante informatie tot zich te nemen. Als ze daartoe al gemotiveerd zouden zijn. Denk aan allen die een avond voor de verkiezingen nog snel een stemwijzer invullen. Stemwijzers die overigens over plannen en niet over prestaties gaan. Een andere constatering is dat je nooit direct op beleid stemt, maar moet afwachten wat voor beleid er uit de onderhandelingen komt. Dus ook al ben je geïnformeerd, dan nog is je invloed uiteraard beperkt als je eenmaal in de vier jaar een partij kan kiezen. Deze ondoorzichtigheid kan bijdragen aan de dalende interesse voor verkiezingen. Vooral is het de vraag of een compromis tussen partijen in goed beleid resulteert. Wat overeind blijft is de mogelijk om slecht bestuur eens in de vier jaar naar huis te sturen. Een goede noodrem om de macht niet uit de hand te laten lopen. 

Verkiezingen draaien om politieke partijen. Dat is minder vanzelfsprekend dan je zou denken. Een deelnemer wijst erop dat partijen nog maar een jong verschijnsel zijn. Voor de 20e eeuw waren volksvertegenwoordigers niet partijgebonden. Pas eind 19e eeuw ontstonden clubjes van volksvertegenwoordigers die uit strategische stemoverwegingen samenklonterden. Hieruit zijn de huidige politieke partijen ontstaan, zonder een grondwettelijk kader en nog maar een eeuw oud. De vraag is dan welke meerwaarde politieke partijen boven individuele vertegenwoordigers hebben? Ten tijde van de verzuiling hadden partijen een duidelijke functie om compromissen tussen sterk verschillende zuilen sluiten. In de huidige ontzuilde samenleving is deze functie minder evident. Partijen kunnen verschillen in de samenleving zelfs uitvergroten. Om zich tijdens verkiezingen te profileren, worden ze gedwongen om verschillen met andere partijen (groepen) op de spits te drijven. Dat wil niet zeggen dat stemmen op individuele personen dé oplossing is. Dat kan weer een mediaspektakel van een hele andere orde opleveren, waar de populairste vloggers onze volksvertegenwoordigers worden. “Vergeet ook niet dat de verdeling van macht gek genoeg niet zuiver is in het Nederlandse partijenstelsel”, voeg ik toe. “Eigenlijk wil je in een democratie dat de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht gescheiden zijn (trias politica). Dan kunnen organen elkaar controleren zonder dat één orgaan te veel macht heeft. In Nederland maakt echter de regering veelal de wetten en voert zij deze wetten ook zelf uit. De wetten moeten wel door het parlement goedgekeurd worden, maar ook in het parlement hebben regeringspartijen meestal de meerderheid van stemmen. Regeringspartijen zijn dus zo goed als de wetgevende en uitvoerende macht tegelijkertijd, die wetten naar eigen goeddunken kan aanpassen. Een onbedoelde (en waarschijnlijk ongewenste) machtsconcentratie, welke zou wegvallen als er geen politieke partijen zijn.” 

De filosofische avond is alweer bijna ten einde. Over een democratie zonder verkiezingen, hebben we echter nog niet gesproken. Tot slot leg ik daarom een oud Grieks alternatief op tafel: kunnen we niet beter burgers uitloten om beleid te maken? Die samenkomen in burgerfora, argumenten uitwisselen en zo goed als mogelijk een consensus te bereiken. Nu weet ik, lieve lezer, dat velen van u hier iets denkt in de trend van: ja doei! Een loterij waarbij elke ongeschikte idioot beleid mag maken? Dat is te absurd om serieus te nemen. Mijn verzoek hier is om bestaande oordelen even opzij te zetten en open mee te denken. Het oordeel uitstellende vermogen is immers essentieel om te filosoferen en om überhaupt respectvol met elkaar in gesprek te gaan. Deze vaardigheid wil ik via deze gesprekken dan ook stimuleren. Dat houdt niet in dat u kritiekloos mee moet gaan in elk voorstel. Wel dat u een open houding kunt aannemen om argumenten voor en tegen gelijk te wegen.

De aanwezigen zien dan ook problemen met loting. “Hoe weet je dat de mensen met de juiste kennis op de juiste plek komen?” Als antwoord verwijs ik naar een eerder punt in het gesprek, waar we geconstateerd hadden dat ministers en kamerleden ook vaak een portefeuille krijgen toegewezen waar ze geen expertise in hebben. Op het vlak van expertise is er dus niet per se een groot verschil tussen loten of kiezen (al kan je nog wel beargumenteren dat politieke partijen veel expertise inbrengen). Ook zijn politici hoog opgeleid. Dat kun je als een voordeel zien, maar daar zit ook een politieke ongelijkheid achter: blijkbaar zijn hoge politieke functies onbereikbaar voor lager opgeleiden en laat politieke gelijkheid nu een essentiële democratische voorwaarde zijn (waar we in dit gesprek helemaal aan voorbij zijn gegaan). “Vergeet de ambtenaren ook niet”, voegt een ander zinvol toe. Deze zorgen op een ministerie voor continuïteit en leveren kennis om wisselende machten te ondersteunen. De ambtenarij is in dit opzicht een ondersteuning voor zowel een systeem van verkiezingen en loting. In beide gevallen betekent het in de regel dat een wisseling van bestuurders, die geen specifieke expertise hebben, niet per se een probleem is omdat ambtenaren de benodigde achtergrondinformatie en expertise kunnen aanleveren. Tevens - vul ik aan - is het idee van (deliberatieve) burgerfora, dat burgers uitgebreid vooraf en tijdens het overleg geïnformeerd worden, om dan pas met elkaar redenen uit te wisselen voor het beste besluit. Uit onderzoek blijkt dat bij deze opzet burgers ook meningen bijstellen. De informatie en het overleg leidt dus tot andere uitkomsten dan als men simpelweg had gestemd. Een indicatie dat overleggen een meerwaarde heeft boven stemmen. “Maar zometeen worden er alleen mensen uit Groningen uitgeloot die dan het hele land moeten vertegenwoordigen”, brengt iemand ertegenin. Ik heb het idee iets te kort toegelicht. “Daarom wordt er op de uitgelote kandidaten ook nog een automatische selectie losgelaten, op basis van woonplaats, leeftijd, geslacht, opleiding, etc., zodat er een afspiegeling van Nederland ontstaat.”

 

We moeten het gesprek wat ontevreden afronden. Of misschien zit die ontevredenheid veelal bij mij. Ik had eigenlijk als doel om het alternatief van loting kritisch te bespreken, terwijl hooguit een schets van het idee van loting is besproken. Tot slot daarom enige reflectie op mijn rol als gespreksleider. De aanloop van het gesprek was duidelijk te lang. Dat komt deels door hoe ik de gesprekken vormgeef: ik wil niet enkel kennis aandragen, maar vooral de deelnemers uitdagen om zelf argumenten te ontwikkelen. Dit uitgangspunt wil ik behouden, maar in sommige gevallen, zoals bij loting, is het beter om toch een kader te schetsen door een langere introductie, in plaats van gelijk het gesprek in te duiken. Dat had ook voorkomen dat we over de huidige politiek kwamen te spreken. Daarover heeft iedereen wel een sterke mening, waarbij ik teveel zijpaden in het gesprek toestond. Daarnaast ben ik afgestudeerd op loting (deliberatieve democratie) en heb ik hier veel kennis van, waardoor je al snel kennis wilt overdragen en op vaste punten wilt aansturen. Dat staat op gespannen voet met een vrij filosofisch gesprek. Terwijl het gesprek over gelijk loon - waar ik veel minder van afwist - veel dieper ging. Nuja. Dit is wat reflectie voor mijzelf en andere (filosofische) gespreksleiders. Veel deelnemers gaven zelf aan wel voldoende nieuwe inzichten te hebben opgedaan. Ten dele zat de ontevredenheid dus in mijn eigen verwachtingspatroon. Het heeft mij wel doen besluiten bij het volgende gesprek de centrale vraag duidelijker te formuleren, met optionele subvragen als leidraad, zonder dat deze verplicht besproken moeten worden. Het onderwerp moet ook ‘kleiner’ zijn. En ik moet nog iets ‘strenger’ optreden als gespreksleider, door mensen bij de centrale vraag betrokken te houden en echt laten ingaan op wat de ander zegt (dus als je iets zegt omdat je zo een leuke associatie hebt, krijg je met de gespreksleider te maken ;). Het volgende filosofische gesprek over keuzeovervloed heeft reeds plaatsgevonden, dus ik kan al verklappen dat deze aanscherping goed werkte. Maar daarover later meer!

Terug naar overzicht