Historie VII: Zuilen, van zelfstandige gemeente tot stadswijk. Deel VI

De Kantonnaleweg ligt op de grens met Maarssen. Het is dus niet verwonderlijk dat uit dit dichtbijgelegen dorp ook ondernemers langs de deuren kwamen. Een van hen was ‘Flip van Breukelen’. Hij woonde tegenover de rooms-katholieke kerk in Maarssen. Als hij langs de huizen kwam – hij liep niet alleen maar langs de Kantonnaleweg, hij kwam ook op Zuilen – riep hij altijd: ‘‘Houten stéénmanden, houten stéénmanden’’. Waar die uitdrukking op sloeg, is tot op heden nog een raadsel. Zijn bijnaam was ‘Flip de Blauwneus’. Als kinderen hem met zijn bijnaam aanspraken, zei hij: ‘‘Ach m’n keind, ik heet van Breukelen’’. Omdat op het bij de woningen behorende eigen landje aardappelen en groenten werden verbouwd, kwam de groenteboer hier niet aan huis. Wel de melkboer: de heer Rosseweij van het rijtje winkels aan de Amsterdamsestraatweg. De heer Rosseweij hield koeien en maakte zelf boter en karnemelk. De zoon van Rosseweij heeft de melkhandel later voortgezet (en uitgebreid tot een zelfbedieningswinkel) in Nieuw-Zuilen aan de Sweder van Zuylenweg. Naast het winkeltje van Rosseweij (hier komt later J.J. Versteegh zijn melk verkopen) was de smederij van de weduwe G. van Dommelen. Voor dit pand stond ‘de laatste benzinepomp tussen Utrecht en Amsterdam’. In het pand ernaast zat juffrouw (Mien) van der Horst, wiens vader parlevinkte op het kanaal (daarover las u al de advertentie in een vorige publicatie). Dan volgden een stukje land met sloot, een rijtje huisjes en vervolgens het kruideniers- en snoepwinkeltje van J. van de Scheur. Als de kinderen van de Kantonnaleweg een cent te besteden hebben, dan hebben zij het bij Jaap van de Scheur voor het uitzoeken. Voor die ene cent hebben zij de keus uit: zes kleine toverknikkers, een stukje zoethout of een gelukstoffee (‘Maar die nam je niet, want dat was maar één ding!’). Onderling werd door de kinderen veel geruild. Het laatste pandje in dit rijtje is in twee delen gesplitst: als je vanaf de Amsterdamsestraatweg het pand betrad, kwam je in een café terecht, maar als je via de achterdeur binnenkwam, stapte je een melkhandel binnen. De melkhandel werd gedreven door de heer Griffioen, het café stond onder het wakend oog van zijn schoonmoeder, de weduwe D. de Leeuw. De vraag naar medewerkers voor de steenfabriek groeide zodanig dat zelfs personeel uit (Nieuw-)Zuilen en Utrecht emplooi bij het bedrijf kon vinden. Om het bedrijf voor deze mensen beter bereikbaar te maken werd een draaibrug over het Merwedekanaal aangelegd. Na verbreding en uitbreiding van het kanaal, toen door de veranderde situatie ook de naam gewijzigd werd in Amsterdam-Rijnkanaal, hebben de forensen die bij de steenfabriek werkten een tijd lang gebruikgemaakt van een grote pont die hen het kanaal overzette. Aan de Amsterdamsestraatweg bevond zich een bushalte die hen naar Utrecht bracht. Er zijn nog mooie foto’s van grote drommen medewerkers van steenfabriek ‘De Volharding’ bewaard gebleven, die kort na de Tweede Wereldoorlog op een soort platbodem staan die door hen als pont werd gebruikt. Nadat de medewerkers hierop de overzijde van het kanaal hadden bereikt, konden zij op de bus stappen van de NBM, een truck met zogenoemde oplegger die voorzien werd van een personenbusopbouw. Wordt vervolgd…

Fotobijschrift: Net voor de brug bij Maarssen heeft er een pontje over het Merwedekanaal gevaren, het kanaal dat na de verbeteringen Amsterdam-Rijnkanaal werd genoemd. In de tijd dat dit nog het Merwedekanaal was, heeft jarenlang een draaibrug de oversteek mogelijk gemaakt van de Amsterdamsestraatweg naar de andere kant van het kanaal. Daarvan werd voornamelijk door de medewerkers van steenfabriek ‘De Volharding’ gebruikgemaakt. Vóór 1939 was Jan Rietveld in de weekeinden de ‘draaier van de brug’.

Terug naar overzicht