Zuilen, van zelfstandige gemeente tot stadswijk, Deel 208

In het Museum van Zuilen is de tentoonstelling 'Verenigingen uit Zuilen' te bewonderen. Van een aantal clubs en verenigingen doen we op deze site verslag. Twee weken plaatsten we Deel I van de ´Kindervereniging `Mariëndaal's Belang`. Vorige week vanwege de actualiteit volleybalvereniging 't Zand. Dan zou je deze week Deel II verwachten. Echter... vanwege nog steeds de actualiteit krijgt u deze week eerst een deel van het verhaal voorgeschoteld van volleybalvereniging 'Polonia'. (De actualiteit is dat op 20 juli aanstaande de ClubReùnie van deze volleybalvereniging plaats vindt in het Museum van Zuilen). Maar maakt u zich geen zorgen, volgende week komt Deel II van 'Mariëndaals Belang'

Volleybalvereniging 'Polonia'

Als jochie van een jaar of zeven ging ik (Rob van den Hurk) in 1953 voor het eerst met mijn grote broer Henk, vroeger Hennie genoemd, mee naar het volleyballen. We fietsten toen vanaf ons huis in de Adriaan Mulderstraat via de A.H.G. Fokkerstraat naar de Prins Bernhardlaan, staken die over en reden toen de smalle onverharde Fortlaan af naar de Prinses Irenelaan.

Hennie was lid van de Zuilense volleybalvereniging ‘Polonia’. Er werd getraind en gespeeld in een inmiddels afgebroken gymnastiekzaal aan de Irenelaan. De zijlijnen van het volleybalveld stonden dichtbij de omringende muren. Daardoor mocht je serveren met één voet over de lijn. Langs het veld stonden smalle lage bankjes. Tussen de bankjes aan de zijlijn stond aan de ene zijde een scheidsrechterstoel achter het net en aan de andere zijde een telbord op de grond.

Bij wedstrijden van het 1ste herenteam hingen mijn leeftijdsgenoten en ik in de wandrekken aan de zijde van de scheidsrechterstoel.

Polonia bestond vanaf zijn oprichting op 6 september 1949 tot 1953 uitsluitend uit Polen en had ‘de Poolster’ als clubblad. Zeer bekende Poolse Utrechters bij deze club waren Pindus (tevens keeper van het eerste elftal van DOS), Kaduk (een goede gangmaker bij nationale en internationale wielerwedstrijden) en Sas (een zeer aardige enthousiaste man).

Mijn broer en enkele van zijn vrienden behoorden tot de eerste Nederlanders bij deze club, die toen zo’n 20 leden (alleen heren) telde. In de jaren zestig jaren steeg dat aantal naar 68: 36 heren verdeeld over 6 teams, 19 dames verdeeld over 2 teams en 13 senioren, die geen wedstrijden speelden, maar één keer per week op woensdagavond twee uurtjes trainden.

Ik was van mijn zevende tot tiende jaar nog geen lid van de vereniging, maar mocht soms meetrainen met de grote jongens. De lange aanvallers (waaronder Henk Pardijs, een vriend van mijn broer) hadden grote lol, wanneer ze van zo’n ukkie een set-up kregen en vervolgens de ontvangen bal zó hard aan de andere kant van het net tegen de grond smashten, dat de opstuitende bal het vrij lage plafond raakte.

In de tweede helft van de jaren vijftig werd er door Polonia een jeugdteam opgericht, dat deelnam aan een speciale competitie voor jeugdteams uit de provincie Utrecht. Het net hing op dameshoogte, maar het veld had de normale afmetingen, die voor senioren gelden. We speelden toen spectaculaire wedstrijden tegen Valbovol uit Woerden (in een zaaltje, waar de zijlijnen van het veld op de muren waren aangebracht), Cito uit Zeist en Pioniers uit Utrecht.

Meestal speelden we thuis voor een volle ‘bak’, d.w.z. de mensen stonden of zaten op de smalle bankjes achter de zijlijnen en achterlijnen, hingen in de wandrekken en stonden of zaten soms zelfs op het speciaal voor de wedstrijd geopende podium van de school achter één van de achterlijnen.

In die jaren vijftig was mijn vader, H.C. (Henk) van den Hurk, voorzitter van de vereniging en werd mijn zus Ina eveneens lid. Daardoor hadden we bij ons thuis aan de Adriaan Mulderstraat 41 veel aanloop van clubleden, vonden er thuis bestuursvergaderingen plaats en werden er jarenlang heftige volleybaldiscussies gevoerd binnen ons gezin.

In de jaren zestig was de heer Wim Kok voorzitter van de club. Hij en mijn vader werkten beide bij Werkspoor. Onze wedstrijdleider de heer H. Kroon mag ook genoemd worden in dit korte rijtje van personen, die heel veel werk hebben verzet voor de volleybalvereniging. Ook hij werkte – als ik me niet vergis – bij Werkspoor.

Mijn vader herinnerde zich uit zijn voorzittersjaren twee opmerkelijke en nu vrijwel ongelooflijke verhalen. Op een avond moest het eerste herenteam een Hoofdklasse-wedstrijd spelen in Den Haag. Eén van de drie uit Utrecht vertrokken auto’s kreeg onderweg panne en kon Den Haag niet meer op tijd bereiken. Het gevolg was, dat er maar vijf spelers en de toenmalige club-secretaris, de heer Wim Kok, op de plaats van bestemming arriveerden. De laatste had nog nooit in zijn leven gevolleybald, maar trok zijn overhemd uit, een trainingsbroek aan en… stelde zich op als zesde man. Dat was dan ook vrijwel het enige, dat hij deed, want telkens zodra de scheidsrechter gefloten had voor de service, haastte meneer Kok zich het veld uit en… moedigde zijn medespelers vurig aan! Tot ieders verbijstering werd de wedstrijd gewonnen!

Datzelfde team moest later in het seizoen een belangrijke wedstrijd spelen in het Parochiehuis te Hoograven. De spanning was tot het hoogtepunt gestegen: een 2-1 setstand en een 15-14 score in ons voordeel. Plotseling uitte een dicht langs het veld staande man (onze wedstrijdleider H. Kroon) een ferme krachtterm, waarvan een speler van de tegenpartij, die dicht bij hem stond en die van plan was de bal te spelen, zo heftig schrok, dat hij uit balans raakte en de bal door zijn vingers liet glippen.

Ondanks felle protesten van de tegenpartij, die de altijd aardige meneer Kroon ervan beschuldigde de krachtterm met opzet te hebben gebezigd, kende de scheidsrechter geen genade.

Wat was er nu precies gebeurd? Meneer Kroon had nerveus met een brandende sigaar zitten spelen en niet in de gaten gehad, dat hij de verkeerde kant van de sigarenpeuk in zijn mond stopte.

Ja, in die tijd werd er tijdens de wedstrijden in het Parochiehuis gewoon gerookt. Soms speelde je daar in een vrij dicht rookgordijn.

Vanuit het jeugdteam, waarin ik (vanaf 1957) enkele jaren speelde, kwam ik achtereenvolgens in het 6e en 5e herenteam terecht, en daarna (in 1963) in het 2e team dat 1ste klasse regionaal speelde.

Samen met mijn clubgenoot Hans Kok werd ik in de eerste helft van de jaren zestig gekozen in het Utrechtse jeugdteam, dat jaarlijks een wedstrijd tegen Antwerpen speelde. Tweemaal zijn we voor een dergelijke ontmoeting naar Antwerpen gegaan en tweemaal hebben we ze thuis in Utrecht ontvangen. Het was een enorme ervaring. Slapen thuis bij een speler van de tegenpartij, die je eerst lopend door heel Antwerpen meenam, alvorens thuis aan te bellen. Volgens mij hoorde deze afmatting bij hun tactiek om ons te proberen te verslaan. Ik kan me echter niet herinneren ooit van hen verloren te hebben. De keren dat ik een Antwerpenaar mee naar huis moest nemen liet ik hem fietsen van Station Utrecht naar mijn huis in Zuilen… met mij achterop.

Na een éénjarig verblijf in het 2e team en een aantal invalbeurten in het eerste, promoveerde ik in het seizoen 1964-1965 naar het eerste. Ik was 18 jaar oud, nog niet volgroeid, sprong hoog, maar kwam nauwelijks boven het net uit. We speelden in de landelijke Hoofdklasse, te vergelijken met de huidige 1ste divisie. Dat betekende verre wedstrijden: Alkmaar, Den Helder, Apeldoorn, Nijmegen, etc.

We trainden in Zuilen, maar speelden onze wedstrijden in een wat grotere zaal (met houten vloer) van het Parochiehuis te Hoograven. Tot mijn teamgenoten behoorden de (andere) spelverdeler Jos van Hees, de hoofdaanvaller Henk Pardijs, en de all-rounders/middenaanvallers Ton Kuyers, Gerard van Leeuwen, Hans Kok en Johan Stekelenburg (jawel, de latere burgemeester van Tilburg). De broer van Johan, Jan Stekelenburg (de latere NOS-verslaggever en eindredacteur van Sport Studio), behoorde aanvankelijk ook tot dit team, maar speelde dat seizoen niet.

Hans was een leeftijdsgenoot van mij, Jos was 3 jaar ouder en de anderen 5 tot 8 jaar ouder dan ik. We speelden goed, maar relatief eenvoudig volleybal. Er werd toen nog vaak onderhands geserveerd of gebruik gemaakt van een zogenaamde (in het hedendaagse volleybal verdwenen) molenservice. Korte set-ups, “steekjes” en aanvallen vanachter de 3-meterlijn bestonden echter toen ook al.

Fotobijschrift: Uit het Utrechts Nieuwsblad van 1-2-1965. Staand: Polonia met v.l.n.r. Johan Stekelenburg, Henk Pardijs, Hans Kok, Ton Kuyers, Gerard van Leeuwen, Jos van Hees en Rob van den Hurk. Gehurkt: SOS-2 met v.l.n.r. Hans Mulder, Jan Winters, Cees Prins, Wim Smit, Leo Spijkerman, Bert van Willigen (die later in het jaar voor DPC ging spelen) en Hans Bes.

Terug naar overzicht