Zuilen van zelfstandige gemeente tot stadswijk, Deel 232

In het Museum van Zuilen zijn we druk met de inrichting van een nieuwe tentoonstelling. We naderen met rasse schreden vier en vijf mei en het lijkt ons te lukken (met dank aan de vele inbreng die we in de loop der jaren kregen!) om het hele museum in te richten met de tentoonstelling 'Zuilen in de Tweede Wereldoorlog'. Daar zijn we best trots op. We zijn nog niet helemaal klaar, maar we houden u op de hoogte. Vandaar deze week:

Zuilen in de Tweede Wereldoorlog deel I

Het is 1939 en de Tweede Wereldoorlog is voor Nederland nog niet echt begonnen, dus ik kan zonder bezwaar een anekdote uit de mobilisatietijd opschrijven die Evert de Jongh me kwam vertelde.

Gerrit de Jongh, een broer van Evert, werd opgeroepen tijdens de mobilisatie in 1939. Gerrit werd ingedeeld bij het ‘paardenvolk’ van het Nederlandse leger in Hoevelaken.

Hij mocht het kamp niet (zonder toestemming) verlaten en zeker niet om thuis een kopje koffie te gaan drinken! Maar wie kwam op zondagmorgen bij de familie de Jongh in de M. de Klerkstraat naar binnen wandelen? Een als boer verkleedde Gerrit, met een petje op en wat stro eronderuit.

Hij moest na de koffie natuurlijk wel snel terug om op tijd in Amersfoort te zijn. Hij had vervoer ‘geregeld’: hij zou worden opgepikt door een legervoertuig dat hem naar Hoevelaken zou brengen.

De heer de Jongh was echter te vroeg in Amersfoort en stapte om de tijd te doden een kroeg binnen. Daar kreeg hij de schrik van zijn leven: zijn luitenant zat in dat etablissement aan het bier. Wat te doen? In de hoop dat hij in zijn vermomming niet direct herkend zou worden, stapte hij vol bravoure op de bar af, ging zitten en bestelde een pilsje.

Even later kwam de luitenant naar hem toe, keek hem eens aan en vroeg toen aan het ‘boertje’: ‘Heb jij soms familie in het leger?’ Waarop de Jongh antwoordde: ‘Ja, mijn broer Gerrit, die zit hier vlakbij, in Hoevelaken. Ik ben hem net even wezen opzoeken.’ ‘Tjonge, tjonge, wat lijken jullie op elkaar,’ sprak zijn meerdere toen. De heer de Jongh vertelde de luitenant dat dit kwam omdat hij de helft van een tweeling was.

De luitenant vond het erg leuk zomaar de andere helft van de tweeling te ontmoeten en vertelde de heer de Jongh dat hij de luitenant van zijn broer was. ‘Neem een pilsje van me,’ sprak de luitenant, en er werd geproost.

Toen moest de heer de Jongh zien weg te komen, anders zou hij zijn transport naar Hoevelaken missen. ‘Ik moet gaan,’ sprak hij, ‘anders mis ik de trein naar Utrecht nog.’ Hij stapte op en was net op tijd voor zijn vervoer naar de basis. De volgende dag kwam de luitenant op de Jongh af en zei: ‘Jij raadt nooit wie ik gisteren ben tegengekomen.’ Zijn ondergeschikte keek hem even aan, in de veronderstelling dat hij alsnog door de mand was gevallen, maar zei toen: ‘Ik weet het niet, Sinterklaas misschien?’ ‘Nee, je bróér!’ zei de luit.

Waarop de heer de Jongh sprak: ‘Mijn broer? Dat kan niet want die was gisteren hier bij mij op bezoek.’ De luitenant legde omstandig uit dat ‘zijn broer’ te vroeg op het station was aangekomen en daarom wat was gaan drinken. ‘Ik heb nog samen met hem een pilsje gedronken,’ zei hij vervolgens. Waarop de heer de Jongh zei: ‘Dat had ik ook wel gelust.’ Toen pakte de luitenant zijn portemonnee, haalde er een gulden uit en gaf die aan de heer de Jongh terwijl hij zei: ‘Weet je wat, hier heb jij geld voor ook een pilsje van mij!’

Fotobijschrift: Gemobiliseerde militairen marcheren hier over de Amsterdamsestraatweg nabij het ‘Groene Kruis Gebouw’, richting Station. Door de thans verdwenen bomenrij heen is het markante gebouw nog duidelijk herkenbaar. Tramrails en bomenrij zijn al jaren geleden weggehaald. Enkele jaren geleden werden nieuwe bomen aangeplant, misschien komen de tramrails ook weer terug?

Terug naar overzicht