Zuilen van zelfstandige gemeente tot stadswijk, Deel 243

Zuilen eert zijn gevallenen Deel 11

Naar aanleiding van de tentoonstelling Zuilen in de Tweede Wereldoorlog, die 4 mei jongstleden door burgemeester J. van Zanen geopend werd, schrijf ik gedurende deze tentoonstelling over Zuilense slachtoffers van die oorlog. Deze week gaat het over De L.O. te Zuilen en natuurlijk Henny Knipschild.

Van het uitgebreide verhaal, vandaag deel 3

Tot zover gaat het verslag over de gevangenneming van onder anderen Henny Knipschild. Nu vervolg ik het relaas van de heer Pasman:

‘Vier jonge kerels reden die dag vol enthousiasme uit om nimmer weer te keren. De landwacht wist hen te overmeesteren en na gruwelijk te zijn gefolterd, werden zij aan de avond van die dag doodgeschoten. Henny was een van mijn vrienden. Met diepe ontroering denk ik aan hem. Tijdens mijn gevangenschap liet hij mijn gezin niet in de steek, maar bezocht hen en sprak hen moed in.

Wij mannen van de L.O. zijn er trots op Henny Knipschild als vriend te hebben gehad. Met zijn voorbeeld voor ogen zullen wij pal staan, opdat de duur gekochte vrijheid voor ons Vaderland behouden blijft.

Een eenvoudig gedenkteken op het kerkhofje te Oud-Zuilen, ontworpen door J. van Luin, getuigt van de grootheid van het offer dat Henny Knipschild voor ons heeft gebracht.

Eens zullen zij den vijand slaan!

Eens breekt de dag der zege aan.

Eens heeft hun voorste linie strijd

Hun land van vijanden bevrijd,

Dan jub'len zij, die vochten,

Het leger der gezochten.

 

De rechtszaak tegen de landwachters vond plaats op 5 april 1947:

Trouw 5 april 1947

‘Gruwelijk drama uit den bezettingstijd berecht
Landwacht-sadisten bonden slachtoffers achter hun auto

TEGEN TWEE HUNNER EISCHTE MR. DRABBE DE DOODSTRAF


Donderdag 3 April 1947. Een der meest afschuwwekkende drama’s, welke zich tijdens den bezettingstijd in en om Utrecht hebben afgespeeld, wordt in een tot op de laatste plaats gevulde rechtszaal tot in de meest lugubere bijzonderheden gereconstrueerd. Vijf landwachters, bleek en nerveus, staan in de beklaagdenbank: zij hebben zich schuldig gemaakt aan een van de meest gruwelijk wandaden, door de landwacht bedreven. Het is voor alle aanwezigen duidelijk, dat hier slechts één straf gerechtvaardigd is, de zwaarste en die wordt dan ook geëischt na vele uren van hoor en wederhoor. Terwijl het buiten reeds begint te schemeren requireert de proc.-fiscaal bij de Utrechtsche Kamer van het Amsterdamsch Bijzonder Gerechtshof, mr. L.W.M.M. Drabbe, tegen twee van deze sadisten de doodstraf, tegen den derde twintig jaar — en tegen den vierde twaalf jaar gevangenisstraf. Ten aanzien van den laatste wordt tot vrijspraak geconcludeerd.

‘‘Een wagen met terroristen’’

Ziehier de trieste gang der gebeurtenissen zooals deze kan worden afgeleid uit lange verhooren en getuigenverklaringen, de eerste vol ontkenningen en de laatste vol tegenstrijdigheden.

De veertigjarige Utrechtsche betonwerker B. Heegers krijgt op 27 September 1944 tezamen met den zevenendertigjarigen Utrechtschen hofmeester D.F. Minck last, een auto te vorderen. Zij staan op den Amsterdamschen straatweg bij Maarssen, wanneer hun aandacht valt op een auto welke kennelijk tracht hun te ontwijken. Zij krijgen achterdocht en willen een achtervolging inzetten. Daar zij zelf geen auto ter beschikking hebben, vragen zij den bestuurder van een wagen van de landwacht, welke daar juist bezig is benzine in te nemen, hun zijn auto ter beschikking te stellen. ‘‘Een wagen met vier terroristen is er vandoor gegaan en die móét ik hebben!’’ roept Heegers uit. De chauffeur, de tweeënveertig-jarige Amersfoortsche autohandelaar G.A. de Ridder, die met twee collega-landwachters, den zesentwintigjarigen Utrechtschen chauffeur P. den Oudsten en den zevenendertigjarigen Utrechtschen boekhouder G.J Hissink — zij rijden voor hun plezier mee — in Amsterdam benzine gaat vorderen, stemt toe. Met Heegers op het rechtervoorspatbord wordt de achtervolging ingezet.

Zij vinden in Breukelen het spoor van de gevluchte auto doordat een klein jongetje hun zegt, waar de wagen is heengereden. Zij slaan een landweggetje langs een kanaal in en inderdaad, daar loopen vier menschen. Van den auto is geen spoor te bekennen.

Een verhoor

Dan begint het drama. De vier personen zijn gearresteerd en moeten voorover in het gras gaan liggen. Het zijn T.O. Oudhof, H.A. Knipschild, P.S.M. Stellaart, en H.E. Doosjen.

Zij hebben van den O.D. opdracht een zoekgeraakten belangrijken brief op te sporen. Heegers komt te weten waar de auto is verborgen. Met Den Oudsten gaat hij hem ophalen.

Als hij terugkomt staan drie der gevangenen tot aan hun hals in het water. Minck heeft hen er onder de bedreiging van zijn revolver ingejaagd, blijkbaar omdat het de bewaking vergemakkelijkte. Het verhoor begint. Minck neemt elk der arrestanten telkens even apart om te weten te komen wat zij in hun schild voeren. Zij zeggen niets. Dan komt Heegers op een idee.

Hij haalt een touw uit de auto en bindt het om de voeten van een der arrestanten, die languit op den weg moet gaan liggen. Den Oudsten gaat achter het stuur zitten, Minck neemt plaats op de treeplank en de wagen trekt op. Met een snelheid van ongeveer zes kilometer wordt het lichaam van het slachtoffer over den grintweg voortgesleept. Na veertig meter stopt de wagen. Het slachtoffer blijft zwijgen. Heegers wordt wild. Een ander wordt achter den wagen gebonden. Hij lijdt doch zwijgt. Heegers neemt andere maatregelen: hij bindt de polsen van een der gevangenen aan de bumper en laat optrekken. Op het laatst gaat hij zoover, dat hij een der ongelukkigen het touw om den hals vastmaakt. Hij spant het door er met zijn voet op te drukken. De gevangenen zwijgen. Een hunner begint alleen te schreien en om zijn moeder te roepen.

Dat wordt den anderen landwachters evenwel toch te machtig en zij maken er een eind aan. Wie het doet is niet zeker: Minck, die op de treeplank staat ‘‘om ongelukken te voorkomen’’ of De Ridder, die met Hissink een onderzoek instelt in den in beslag genomen wagen en daar een map met illegale papieren vindt.

Het einde van het drama is, dat de slachtoffers over beide auto’s worden verdeeld. Een er van rijdt nog door om een vijfden man C. van Benthem te arresteeren, die ergens onderweg zou zijn opgenomen, indien alles goed ware gegaan en de landwacht niet had ingegrepen. De Ridder arresteert hem en dan is het drama spoedig beëindigd: de vijf illegale werkers worden afgeleverd op het hoofdkwartier van de landwacht in de Maliebaan te Utrecht. Voor zijn goede diensten, waar hij bovendien nog trotsch op is, krijgt Heegers een der in beslag genomen pistolen.

De S.D. wordt er in gemoeid en op de avond van 27 September worden de vijf arrestanten op bevel van Lages in het Fort De Bilt gefusilleerd.

Van den duivel bezeten

Dit zijn de feiten, welke van tijd tot tijd in de rechtszaal kreten van afschuw doen opgaan. Zelfs de president van het Hof, prof. mr. J. van Hamel kan zich niet bedwingen en roept op een zeker oogenblik tegen Heegers met een klank van ontzetting in zijn stem: ‘‘Maar man, was je dan van den duivel bezeten?’’

Overigens, de beklaagden trachten na elkaar hun schuld zooveel mogelijk te verkleinen. Zij schuiven elkaar de schuld in de schoenen. Als getuigen tegen elkaar gehoord belasten zij elkaar om zichzelf toch maar zoo goed mogelijk voor te stellen. Heegers zegt dat Minck het verhoor leidde; Minck verklaart dat Heegers het deed. Heegers zegt, dat Minck de gevangenen in het water dreef; Minck beschuldigt Heegers er van. De Ridder verklaart te hebben ingegrepen, doch ook Minck eischt deze eer voor zich op. Het is een laffe vertooning.

Wat zij er nu van denken? Heegers kan niet verklaren hoe hij tot zijn bestialiteiten is gekomen. Minck haalt zijn schouders op. Den Oudsten zegt: ‘‘Het was zoo erg niet. Ik zou het best zelf willen meemaken.’’ De Ridder zegt: ‘‘Ik kon niet ingrijpen, hoewel ik de hoogste in rang was, want ik had er niets mee te maken.’’ Hissink zwijgt. Hij heeft er passief bijgestaan. ‘‘U vervulde een ellendige rol bij een afschuwelijke beestenboel’’, voegt de president hem verontwaardigd toe.

Natuurlijk hebben zij niet geweten, dat zij door de gevangenen aan den S.D. uit te leveren, vijf menschen in de muil van den dood wierpen. Later hebben ze het pas begrepen. De president trekt het in twijfel en in de zaal gaat een hoongelach op.

Straffen

Er heerscht een gespannen stilte als mr. Drabbe zijn requisitoir begint. Beheerscht, in nuchtere, weloverwogen woorden schildert hij de wreedheden, welke deze sadisten hebben begaan. Heegers is de hoofdpersoon, Minck heeft volledig meegedaan, evenals Den Oudsten, door den president een beulsknecht genoemd. De Ridder en Hissink zijn laffe figuren, die niet hebben durven ingrijpen omdat zij bang waren voor de woede van Heegers. Ten aanzien van Hissink requireert de procureur-fiscaal vrijspraak, omdat Hissink zich aan het ten laste gelegde niet heeft schuldig gemaakt. Hij zal zich evenwel nog voor een tribunaal moeten verantwoorden en een ruime interneering is voor hem zeker gerechtvaardigd.

Dan, na enkele felle woorden vallen de zware eischen: Heegers doodstraf; Minck doodstraf; Den Oudsten twintig jaar; De Ridder twaalf jaar.

De verdediging heeft een zware taak — zij kwijt er zich van naar beste weten en kunnen. Het Hof besluit over veertien dagen uitspraak te doen. Dan is de laatste acte van dit bezettingsdrama ten einde.’

 

Fotobijschrift: ‘Henk’. Ja, dat Henny Knipschild zijn leven gaf voor het vaderland vraagt om eerbied en respect. Vandaar dat u op deze foto ‘Henk’ ziet staan. De overige slachtoffers hebben ook hun tol betaald. Het verhaal gaat met name over Henny en dat komt alleen omdat ik over hem de meeste informatie kreeg. Het respect geldt natuurlijk ook voor André (Hendrikus E. Doosjen), Lange Piet (Peter S.M. Stellaard) en Theus (Teunis O. Oudhof).

Terug naar overzicht