Zuilen van zelfstandige gemeente tot stadswijk, Deel 256

De voorbereidingen voor de verhuizing van het Museum van Zuilen zijn al een tijd aan de gang. De beoogde nieuwe locatie is de Werkspoorfabriek op het Werkspoorterrein. Daar gaat het Museum van Zuilen van start met een grote Werkspoortentoonstelling. In de aanloop daarnaartoe vindt u de komende tijd artikelen uit de Werkspoor Courant, de ‘Utrechtse Editie’, waarin de voor Zuilen zo belangrijke fabriek onder de aandacht komt. Deze week deel 1.

Werkspoor Courant januari 1926

JOAN MUYSKEN

25 jaren Directeur van „Werkspoor’’.

Zij die, als ondergeteekende, het voorrecht hebben gehad Muysken reeds in den tijd, dat hij te Delft studeerde, te ontmoeten en van hem aanstonds den indruk te krijgen van een bekwamen, ernstigen, rustigen werker, zullen ongetwijfeld toen al hem hebben geteld onder degenen, van wier loopbaan werd verwacht, dat zij boven de gewone zou uitsteken.

Muysken heeft aan die verwachting ten volle voldaan; inderdaad verheft zich zijn werkkring, én in beteekenis, én in de wijze, waarop hij wordt vervuld, boven het normale.

Als jong ingenieur op 15 Augustus 1891 bij Werkspoor in dienst getreden, zag hij zich belast met de leiding van het bedrijf in de toenmalige achterfabriek, waar in hoofdzaak de bouw van wagens werd uitgevoerd. Hij heeft gedurende de jaren, dat hij die positie bekleedde, in die mate het vertrouwen van Commissarissen en Directie gewekt, zoowel in zijn bekwaamheden als technicus, als in zijn tact als leider, dat na het aftreden van den heer Strumphler zijn benoeming tot Directeur met ingang van 1 Januari 1901 in het welbegrepen belang der fabriek als vanzelf volgde.

En thans gedenken wij het feit, dat Muysken gedurende 25 jaren het Directeurschap van onze fabriek heeft vervuld en haar gemaakt heeft tot een der voornaamste, best geleide en hechtste industrieele ondernemingen van ons vaderland.

Wij kunnen van hetgeen in die 25 jaren, onder zijn leiding, door Werkspoor is gedaan en ondervonden in dit bestek geen volledig overzicht geven en volstaan met in herinnering te brengen, dat in dien tijd te Zuilen de geheele wagenfabriek, de ijzerconstructiewerkplaats en de gieterij werden gebouwd en geïnstalleerd, dat te Amsterdam het nieuwe kantoorgebouw werd gesticht en aldaar tal van wijzigingen en uitbreidingen van de werkplaatsen, ook na den brand op 31 Mei 1922, werden uitgevoerd.

Deze nieuwbouw en uitbreidingen zijn noodig geweest om het groote aantal bestellingen, dat aan Werkspoor werd opgedragen, dank zij den goeden naam, dien de fabriek zich onder Muysken’s beheer verworven heeft, te kunnen uitvoeren.

Die opdrachten betroffen in die 25 jaren meer dan 150 complete scheepsinstallaties met een totaal vermogen van ± 350.000 P.K., ruim 120 afzonderlijke stoomketels voor scheepsgebruik, ruim 450 machinerieën voor suikerfabrieken, 500 locomotieven, 14700 rijtuigen en wagons en een groot aantal der in de geheele industrieele wereld hooggeroemde Werkspoor-Dieselmotoren.

Die installatiën, machinerieën, locomotieven en voertuigen, gedeeltelijk afgeleverd onder de zeer moeilijke omstandigheden der oorlogsjaren, vertegenwoordigen alle tezamen een hoeveelheid technischen arbeid, organisatievermogen en koopmanschap, die met eerbied vervult.

En ook al zal nu Muysken de eerste zijn om te wijzen op den arbeid van zijn medewerkers, van hoog tot laag, toch zal door niemand worden ontkend, dat het inzonderheid zijn werkkracht, zijn energie en zijn inzicht zijn geweest, die Werkspoor tot bloei hebben gebracht. Maar met die eigenschappen alleen had hij niet kunnen volstaan.

Zonder de eigenschap, die boven ieder der genoemde uitgaat, n.l. dat zijn werk ook zijn hart heeft, zou Muysken niet zijn geslaagd. Onze taak geheel en volledig volvoeren vraagt niet alleen ons verstand, maar vraagt ook ons hart. Maar dat eenmaal gevende, gaf Muysken het aan alle onderdelen van zijn taak en dus ook in de verhouding tot zijn werknemers.

Het wordt van een werkgever niet gemakkelijk geloofd, dat hij “voelt’’ voor zijn werklieden; integendeel, meermalen wordt de meening, dat dat gevoel bij den werkgever ontbreekt, in den arbeider gevoed en levendig gehouden ter wille van andere belangen.

Ik wil ook daarom o.m. wijzen op de door Muysken tot stand gebrachte oprichting der pensioenfondsen, zoowel voor de beambten, als voor de werklieden, op de stichting der Bouwvereeniging „Elinkwijk’’ en op de telkens door hem bepleite verhooging der uitkeeringen aan het personeel.

En zelfs al mochten dergelijke maatregelen niet worden erkend als bewijzen van zijn goede gezindheid, doch worden bezien als uitvloeisels van eigen belang, dan zal dit Muysken niet weerhouden ook in dit opzicht in eerlijk bedoelen op den ingeslagen weg voort te gaan.

Alles tezamen genomen zien wij in Muysken een knap technicus, een bekwaam koopman en een goeden werkgever; wat is natuurlijker dan dat wij eindigen met van harte den wensch uit te spreken, dat het hem gegeven moge worden, ten bate van het personeel en van de fabriek, nog lange jaren Directeur van Werkspoor te zijn.

J.A. KALFF.

President-Commissaris.

Terug naar overzicht