Zuilen van zelfstandige gemeente tot stadswijk, Deel 259

De voorbereidingen voor de verhuizing van het Museum van Zuilen zijn al een tijd aan de gang. De beoogde nieuwe locatie is de Werkspoorfabriek op het Werkspoorterrein. Daar gaat het Museum van Zuilen van start met een grote Werkspoortentoonstelling. In de aanloop daarnaartoe vindt u de komende tijd artikelen uit de Werkspoor Courant, de ‘Utrechtse Editie’, waarin de voor Zuilen zo belangrijke fabriek onder de aandacht komt. Deze week deel 4.

Werkspoor Courant 10 maart 1928

IN MEMORIAM JOAN MUYSKEN

------

27 OCTOBER 1866 — 6 MAART 1928

Geheel onverwacht is de heer Muysken gestorven; een heengaan, dat geen van ons allen zal hebben verwacht en op hen, die hem goed gekend hebben, een diepen indruk heeft gemaakt.

Tot hen, die hem vele jaren gekend hebben en zijn overlijden als een groot, ook persoonlijk, verlies voelen, behoort de schrijver van deze weinige regelen. Ik heb hem gekend van het jaar 1886 af bij mijn intrede als student te Delft, waar hij destijds in zijn eerste studiejaar was. In dien tijd hebben wij elkander leeren kennen in bestuursfuncties, die in de studentenwereld zoo dikwijls gelegenheid geven tot het ontstaan van de waardeering, die later in het maatschappelijk leven hare bevestiging vindt.

De heer Muysken trad in 1891 bij Werkspoor in dienst en mijn waardeering van zijn persoon was aanleiding, dat ik in 1892 bij hem solliciteerde en door hem als assistent-ingenieur werd aangesteld. Meer dan vijfendertig jaar ben ik in de gelegenheid geweest hem en zijn werk van zeer nabij gade te slaan.

Het was voor hem in dien tijd een bijzonder zware taak, die hij op ongeveer 25-jarigen leeftijd op zich genomen had. Hoewel de directeur, de heer Strumphler, een oudere man was met veel ervaring. zoo zou deze toch zonder de krachtige hulp van den voortvarenden en vooruitstrevenden jongen Muysken de moeilijkheden minder gemakkelijk te boven zijn gekomen dan thans het geval geweest is. En die moeilijkheden waren niet gering. Het gold hier niet de leiding van een goed ingerichte, goed georganiseerde en bloeiende industrieele onderneming, maar het opbouwen van iets nieuws uit de ruïne van een oude en zeer verouderde zaak, die een jaar te voren was stopgezet. Alleen zij, die, zooals schrijver dezes, de zaak gekend hebben zooals zij in de eerste jaren was, kunnen zich een goed begrip vormen van de werkkracht en het doorzettingsvermogen, dat bij de leiding noodig is, om een goed eindresultaat te bereiken. En hierover beschikte de heer Muysken in ruime mate; geen tegenslagen of moeilijkheden konden hem beletten zijn weg te volgen, waarbij hij steeds van groote opgewektheid blijk gaf. Als er iets verkeerd was uitgevoerd of, zooals men dat noemt, in het honderd liep, dan was het zijn gewoonte daar niet lang over na te praten, maar onmiddellijk te overwegen hoe men alles weer in den kortst mogelijken tijd in orde kon brengen. En steeds was hij bezig nieuwe inrichtingen te bedenken om Werkspoor te brengen op de technische hoogte, die voor den voortdurenden- vooruitgang van een industrieele onderneming noodzakelijk is. Wat hij als directeur en ingenieur in dit opzicht gedaan heeft, is in dit blad reeds uitvoerig medegedeeld bij de herdenking van zijn vijfentwintig-jarig directeurschap in 1926.

Bovendien is het zijn niet geringe verdienste, dat hij van het begin af aan niet alleen belangstelling heeft gehad voor den technischen en commercieelen kant van het bedrijf, maar er steeds op bedacht is geweest om de uiterste zorg te besteden aan het welzijn van zijn staf en zijn werklieden. Vooral in het begin was dit een moeilijk probleem, daar bijna in elk onderdeel de techniek zijn aandacht vroeg, maar altijd wist hij tijd en gelegenheid te vinden om instellingen in het leven te roepen in het belang van beambten en werklieden, waarvoor wij allen hem dankbaar mogen zijn en die, vooral de ouderen onder ons, eerst thans in haar volle waarde op prijs stellen.

Hij gaf zich zelfs de moeite zich met details bezig te houden en met de meeste zorg alle belangen te behartigen van instellingen als het ziekenfonds, het pensioenfonds voor beambten en werklieden, de opleiding van leerlingen, enz. Hij wilde, dat de menschen zouden ondervinden, dat zijn onderneming, zooveel als in haar vermogen is, ook voor de belangen der medewerkers opkomt. Dit heeft hij altijd gedaan zonder vertoon, want uiterlijke reclame trachtte hij zooveel mogelijk te vermijden. Niettemin mocht hij bij zijn vijfentwintig-jarig jubileum als directeur in een toespraak tot het personeel der fabriek terecht zeggen: “Ik heb het als directeur ook steeds als mijn eerste plicht beschouwd om, zooveel als het bedrijf toeliet, te trachten, de omstandigheden, ook de materieele, waaronder het personeel moet werken, zoo goed mogelijk te doen zijn. Aan billijke wenschen en verlangens ben ik, zoover doenlijk, tegemoet gekomen; er zullen nog wel onvervulde wenschen overblijven, maar wellicht zal de toekomst ook daarvoor een oplossing brengen. Ik heb daarom getracht mijn taak tegenover het personeel ook op te vatten als van verdere strekking dan een zuiver zakelijke. Waar velen Uwer het grootste en beste deel Uws levens aan deze zaak verbonden zijn, moet er tusschen leider en personeel een band van hooger orde zijn dan het geven van Uw werkkracht tegen vergoeding. Het is mijn plicht een toestand te scheppen en Uw recht dien te verkrijgen, waarbij Uw welzijn en levensomstandigheden zoo nauw mogelijk verbonden zijn met de welvaart van Werkspoor.’’

Wie zoo denkt over zijn taak als deze leider van een der grootste ondernemingen in ons land, moet een ruim denkend en goed mensch zijn. Dat hij dat was, zullen allen, die hem goed hebben gekend, met mij eens zijn.

Voor Werkspoor is zijn heengaan een buitengewoon zwaar verlies.

M. TRIEBELS.

Terug naar overzicht