Zuilen van zelfstandige gemeente tot stadswijk, Deel 276

De voorbereidingen voor de verhuizing van het Museum van Zuilen zijn al een tijd aan de gang. De beoogde nieuwe locatie is de Werkspoorfabriek op het Werkspoorterrein. Daar gaat het Museum van Zuilen van start met een grote Werkspoortentoonstelling. In de aanloop daarnaartoe vindt u de komende tijd artikelen uit de Werkspoor Courant, de ‘Utrechtse Editie’, waarin de voor Zuilen zo belangrijke fabriek onder de aandacht komt. Dit is deel 21.

Werkspoor Courant 14 mei 1948

Herdenking van de gevallenen der Wagon- en Bruggenfabriek

Boven het leed, boven de tijd

Verrijst het onvervaard gemoed,

Dat weet dat iedre mensheid lijdt,

Maar draagt zijn leed en doet wat moet.

Albert Verweij

Toen Zaterdag 24 April het sein gegeven werd voor het einde van de werkweek, verzamelden vooral degenen, die gedurende de oorlogstijd in dienst van onze fabriek waren, zich rondom de ingang van het Ontspanningsgebouw.

Hier vond om kwart over 12, begunstigd door zacht windstil voorjaarsweer, in een sobere plechtigheid de onthulling plaats van de gedenksteen ter herdenking van de gedurende de bezettingstijd gevallen personeelsleden van onze onderneming.

De naaste familieleden van degenen wier naam op de steen vermeld staat, hadden zich vooraf in de bovenzaal van het Ontspanningsgebouw verzameld, waar zich de vertegenwoordigers van de Directie, de bedrijfsleiding, de Beambtenkern en Fabrieksraad uit Utrecht en Amsterdam bij hen voegden.

Om kwart over 12 begaf men zich naar beneden en nadat ieder zijn plaats ingenomen had, zong de mannenzangvereniging „Aurora’’ het „Ecce quomodo Moritur’’ van Handl.

Hierna sprak onze President Directeur Ir. M. H. Damme de volgende woorden:

„Geachte aanwezigen,

Gelijk enige tijd geleden te Amsterdam, zijn wij thans bijeen om ook aan onze Utrechtse fabriek een eenvoudig gedenkteken te onthullen ter herdenking van de medewerkers en vrienden, die door de oorlog uit ons midden zijn weggenomen.

Wij willen – en dat is goed, want wij leven zo verbijsterend snel – ons weer een ogenblik verplaatsen in die tijd van druk en dreiging, waarin de machten der duisternis de heerschappij schenen te voeren – waarin ons leven beroofd werd van vrijwel alles, wat het mooi en gelukkig kan maken – waarin de beginselen van Vrijheid, Gerechtigheid en Vrede op gruwelijke wijze geschonden en vertreden werden.

In die dagen, waarin heel Nederland, tegen alles in en ondanks alle schijnbare zinloosheid van zulk een verwachting, onwrikbaar vasthield aan de overtuiging, dat eenmaal een andere tijd zou aanbreken, een tijd, waarin wij op ons dierbaar plekje grond weer als vrije Nederlanders zouden mogen leven en ademen, heeft onder de talloze landgenoten, die de oorlog niet overleefd hebben, een aantal Werkspoormensen de levensstrijd hier op aarde moeten beëindigen, zonder het ook door hen zo vurig verbeide bevrijdingsuur te hebben zien aanbreken.

Hetzij dat zij gevallen zijn door oorlogsgeweld, hetzij dat zij in gevangenschap zijn omgekomen of hun deelname aan het verzet met de dood hebben moeten bekopen – aan elk hunner denken wij op dit ogenblik met weemoed, sympathie en eerbied. Onze gevoelens van oprecht medeleven gaan wederom uit naar de nabestaanden, die zo smartelijk en zwaar getroffen werden door het heengaan van hen die hun dierbaar waren, maar hier, op ons fabrieksterrein, zien wij hen toch bovenal als onze collega’s en vrienden, van wie ieder op zijn eigen plaats en met zijn eigen persoonlijkheid leefde en arbeidde, hoopte en streefde in onze Werkspoorgemeenschap.

Wij zullen deze diep betreurde medewerkers niet vergeten en de gedenksteen, die hun namen vereeuwigt, zal, ja moet ons en de komende geslachten (wij zijn dit aan de gedachtenis van onze gevallen vrienden duur verplicht) blijvend vervullen en bezielen met de vaste wil om met alle krachten, die ons geschonken worden, dwars door de duisternis en de verwarring van deze nog steeds zo ontredderde wereld, onvermoeid en onverdroten te werken voor een samenleving van Vrijheid, Gerechtigheid en Vrede, waarin onze kinderen en kindskinderen gelukkig en veilig leven kunnen.’’

De mannenzangvereniging „Aurora’’ zong hierna: „O Heer, die daar des hemels tente spreyt’’ van Valerius, waarna de heer Hofland als voorzitter van de fabrieksraad uit naam van het gehele personeel het volgende sprak:

„Twintig namen staan er op de zo juist onthulde steen, twintig namen die aangeven het aanwijsbaar deel dat de Werkspoorfamilie moest bijdragen aan het grote offer dat ons land in de gruwelijke oorlog moest brengen.

Bij deze twintig, gevallen in verzet, in concentratiekamp of gedeporteerd ver van hun huis gestorven, sluit aan de rij van hen die thuis stierven van honger en ontbering of weerstandloos geworden door ziekte en aldus ten grave gingen.

In deze twintig gedenken wij daarom heel de zee van leed die Nederland overspoelde en waarin duizenden en nogmaals duizenden ondergingen. Mij is gevraagd namens geheel Werkspoor aan de voet van dit simpele monument een krans te leggen. Dit zou een leeg gebaar kunnen zijn, maar ik weet, dat is het niet. Want in ons hart brandt het verlangen onze samenleving te vervormen zodanig dat vrijheid, gerechtigheid en vrede, waarnaar wij zo leerden snakken in oorlogstijd, haar grondslag zal zijn en haar bekroning!

Dit dan wetende leg ik neer de krans van ons allen bij deze steen voor onze gevallen makkers.’’

Namens het gehele personeel legde hij een krans aan de voet van het monument, waarna het mannenkoor het eerste en zesde couplet van het „Wilhelmus’’ zong.

Een defilé langs de gedenksteen besloot deze eenvoudige plechtigheid, die juist door haar oprechtheid zo’n diepe indruk op de aanwezigen maakte.

Terug naar overzicht