Zuilen van zelfstandige gemeente tot stadswijk, Deel 278

De voorbereidingen voor de verhuizing van het Museum van Zuilen zijn al een tijd aan de gang. De beoogde nieuwe locatie is de Werkspoorfabriek op het Werkspoorterrein. Daar gaat het Museum van Zuilen van start met een grote Werkspoortentoonstelling. In de aanloop daarnaartoe vindt u de komende tijd artikelen uit de Werkspoor Courant, de ‘Utrechtse Editie’, waarin de voor Zuilen zo belangrijke fabriek onder de aandacht komt. Dit is deel 23.

Werkspoor Courant 14 mei 1948

VAN ONZE JONGENS IN INDIË

„Kita Maoe Tembak Djellang’’

(We willen op zwijnen jagen)

G.A. KORDELAAR, aanbouwer in Y.B., die op het ogenblik als sergeant dienst doet in Indië, heeft ons geschreven hoe hij een van zijn vrije dagen heeft doorgebracht. Het verhaal is zo aardig, dat wij het U hier laten volgen.

„Eén dag vrij van dienst, betekent voor ons meer dan een maand vacantie in Holland. Vandaag ben ik weer zo gelukkig en het toeval wil, dat er nog een paar andere jongens ook vrij zijn. Eén van hen kwam met het plan om weer eens op de wilde zwijnenjacht te gaan.

Wij wilden onze tocht door de rimboe even ten Westen van Semarang, op ongeveer 25 km van deze bekende havenplaats van Midden-Java, beginnen. Hier startten wij in de vroege morgen om 5 uur vanuit ons kampement. Na een snelle rit, die nauwelijks een half uur duurde, bereikten wij ons voorgenomen jachtterrein, waar onze chauffeur ons afzette.

Daar stonden we dan met ons goede gedrag midden in de wildernis. Vaag kleurde zich de oostelijke hemel om de nieuwe dag aan te kondigen. Na enig zoeken vonden wij het huis van de „loerah’’ (dessahoofd), een hut van atap en palmbladeren, en na enige moeite gelukte het ons hem uit zijn bed te trommelen. Zo goed en zo kwaad als het ging maakten we hem duidelijk dat we wilden jagen, en of hij voor drijvers kon zorgen, waarbij we onze geniale kennis van ’t Maleis uitputten en de rest met gebarentaal aanvulden. Binnen een kwartier vonden wij een twaalftal drijvers bereid om mee te gaan, waarna de jacht kon beginnen.

We trokken de rimboe in, voorafgegaan door onze loerah, op zoek naar sporen. We bereikten na een korte mars een kali, die we doortrokken en spoedig vonden we de eerste indrukken in de zachte bodem, die nauwelijks een uur oud konden zijn. Vervolgens koos ieder van ons zich een geschikt schietterrein uit, op een onderlinge afstand van een paar honderd meter, waarna onze drijvers zich verspreidden en de kloppartij begon.

Schreeuwend en joelend baanden zij zich een weg door de wirwar van struiken, planten en lianen, om op die manier het wild op te jagen en in onze richting te drijven. Vol spanning tuurden wij om ons heen, het geweer in de aanslag, gereed om te vuren. Wie zal de gelukkige zijn om de eerste dikhuid neer te leggen?

Plotseling hoor ik gekraak van takken en dan ineens verschijnt een bruine kop boven ’t struikgewas uit, doch voordat ik kon schieten is de dikhuid al weer verdwenen. Dan ineens weergalmt een schot en nog één en nog één. Een kermend gekrijs bewijst dat de schoten raak geweest zijn, en de juichkreet van de jager zegt genoeg.

Het dier is naar beneden gestort, en als we ons er heen spoeden blijkt het een prachtig zwijn te zijn van zeker 150 pond. Om bederf te voorkomen moet ze meteen gevild worden, een karweitje dat we zelf moeten opknappen, want geen inlander zal het in zijn hoofd halen een djellang aan te raken, want het is een heilig dier. We ontdoen ons beestje van de ingewanden, binden de poten, waarna twee van de drijvers het aan een bamboestok naar de kampong brengen.

We gaan opnieuw op pad, nu eens heuvel op en heuvel af, dan weer door alang-alang velden, waarbij de zon ons ongenadig op de huid brandt. Overal vinden we sporen, oude en nieuwe, maar de zwijnen zijn vlugger dan wij.

Eén van ons ontmoet nog een jong hert, dat zich met reuze sprongen schielijk een weg baant door ’t struikgewas en verdwijnt vóór dat hij ’t onder schot kan krijgen. Een troep apen, opgeschrikt door het kabaal van de drijvers, neemt ijlings de vlucht, springende van tak tot tak en van boom tot boom, wat een zeldzaam aardig gezicht is.

Ondertussen verstrijkt de tijd en klimt de zon steeds hoger. In het bos is de temperatuur nog dragelijk, maar op de vlakten afgrijselijk. Daarbij komt nog dat we vanmorgen zonder eten of drinken vertrokken zijn en de gevolgen worden merkbaar. We bereiken een ravijn, waar we ons geluk nog eens willen beproeven. We stellen ons opnieuw op en de drijvers verspreiden zich weer over ’t terrein. Geduldig staan we te wachten, ieder op zijn post, wachtend, turend, speurend.

Ineens ontdek ik vier zwijnen tegelijk, maar de afstand is nog te groot om te schieten. Een prachtige ever met kolossale slagtanden en een drietal kleinere beesten. Vol spanning volg ik al hun bewegingen, ’t geweer in de aanslag. Even lijkt het dat ze mijn richting uit zullen komen, maar dan draait de voorste zich snel om en verdwijnt het stel in de richting van de kali, die ik wel kan horen, maar niet zien.

Er vallen een paar schoten, maar de teleurgestelde jager komt al gauw terug met de mededeling dat hij zijn kans gemist heeft. Met dat al zijn we een heel eind van ons uitgangspunt afgeraakt, en wordt het tijd om de terugtocht te aanvaarden.

We steken opnieuw de kali over, waarbij we halverwege tot onze knieën door ’t water baggeren, maar ook een paar natte voeten kunnen we er nog bij hebben, en bovendien zitten we van onder tot boven toch al onder ’t slik en de klei, vanwege de valpartijen die er nu eenmaal bij horen als je zo nu en dan eens blijft hangen in de slingerplanten of een glibberig bergpaadje moet opklauteren.

De zon heeft inmiddels zowat haar hoogtepunt bereikt en wat dat zeggen wil, merken we nu maar al te goed. Het zweet gutst ons van alle kanten langs onze body en we nemen niet eens de moeite meer om onze zakdoeken te gebruiken. Na een stevige mars bereiken we onze kampong, waar we allereerst onze dorst lessen aan een kolossale klapper, waarvan ’t vocht heerlijk koel en verfrissend is. Een juist passerende vrachtwagen brengt ons naar de grote weg, waar we wachten op een lift.

We hebben geluk, want een jeep neemt ons mee. Onze buit wordt voor op de bumper gebonden en zo rijden we na een uurtje triomfantelijk Semarang binnen. Vanavond smullen we van ons eigen geschoten wild.

Fotobijschrift: Blijft wel bijzonder dat in datzelfde Indië Werkspoor de opdracht kreeg voor de bouw van de brug over de Kali Lengkong.

Terug naar overzicht