Zuilen, van zelfstandige gemeente tot stadswijk. Deel 72

De distributiedienst

De oorlog had voor iedereen in Nederland gevolgen, ook voor de inwoners van Zuilen. In veel gezinnen ging het ‘normale’ leven zo goed mogelijk door, maar de goederenschaarste liet zich al gauw voelen. In 1940 gingen al de meeste levensmiddelen op de bon en het aantal goederen dat uiteindelijk op de bon ging, groeide razendsnel. In het boek Utrecht in Verzet staat het volgende lijstje: ‘… volgde in 1941 ook de rantsoenering van lucifers [en zoveel aanstekers als er nu zijn waren er dus niet], melk, aardappelen, jam, cacao en chocoladeproducten. Alleen groente, fruit en vis waren nog vrij verkrijgbaar, maar het aanbod was erg schaars.’ Ook de distributie van kolen was al kort na het begin van de oorlog een feit. En ‘Elk huishouden had vanaf september 1940 nog maar recht op één liter petroleum per week’.

Het werd nog veel erger:

‘Met kleding kreeg men ook problemen, vooral in gezinnen met opgroeiende kinderen die dikwijls iets nieuws nodig hadden omdat ze in een grotere maat vielen. In de zomer van 1940 had elke inwoner honderd textielpunten gekregen voor een periode van zeven maanden. Deze honderd punten waren precies toereikend voor de aanschaf van een herencostuum en één overhemd, of voor een mantel en een jurk. Voor een paar kousen waren acht, voor een stuk ondergoed tien à twintig punten nodig. Ook kleine dingen als een zakdoek, naaigaren, of een kaartje stopwol waren zonder textielpunten niet meer verkrijgbaar.

Voor huishoudlinnen waren er zoveel nodig dat men aan vervanging niet meer toekwam. In het voorjaar van ’41 werd een nieuwe puntenkaart uitgereikt waar negen maanden mee moest worden volstaan. De laatste toewijzing die in december van dat jaar afkwam, kreeg een looptijd van twintig maanden, maar toen was het inmiddels 1943 geworden en werd de distributie gestaakt omdat er geen stukje textiel meer te krijgen was.

Voor de aanschaf van schoeisel waren schoenenbonnen nodig die eveneens in onvoldoende mate werden verstrekt. Bovendien liep de kwaliteit van kleding en schoenen hollenderwijs achteruit zodat ze snel versleten waren. Het gevolg was dat oude kleding eindeloos werd opgelapt en voor kinderen van tussenzetsels en stroken werd voorzien om een en ander weer een tijdje passend te maken.

Leer werd zo schaars dat doorgesleten plekken in de boven- of onderzijde van schoenen met kleine opgestikte stukjes werden gedicht. Als kinderschoeisel te klein was geworden, werd van de bovenzijde het voorste gedeelte afgesneden om de tenen weer enige ruimte te geven. Klompen waren ook niet meer in de handel en na verloop van tijd kwamen klompschoenen ‘‘in de mode’’: houten plankjes met een bovenstuk van grove stof. Normale schoenen waren na 1942 niet eens meer verkrijgbaar.

De kleine bovenlaag van de bevolking die de oorlog was ingegaan met een goedgevulde kleerkast, kreeg wat later met deze problemen te maken. De middenklasse was er in de mobilisatiemaanden vaak wel toe overgegaan om een extra kledingstuk aan te schaffen, maar de financiële armslag was toch hoofdzakelijk aangewend voor het aanleggen van een voorraadje levensmiddelen.

Het eerst gedupeerd waren de laagstbetaalden die geen enkele mogelijkheid hadden gehad om zich op de toekomst voor te bereiden: de werklozen, invaliden en arbeidersweduwen die hooguit ƒ 14,- steun per week ontvingen en de ongeschoolde fabrieksbevolking die weinig meer verdiende…

… Het reinigen van de steeds slechter wordende kleding vormde een ander probleem. Vanaf 1941 kreeg men per maand één zeepbon waarop naar keuze een stukje toilet- of huishoudzeep, of een klein pakje waspoeder kon worden gekocht. Het was bij lange na niet voldoende voor de propere Hollandse huisvrouw die veel zeepsop gebruikte om het houtwerk en de vloeren van haar woning schoon te houden en de wekelijkse gezinswas een degelijke beurt te geven. Een jaar later was er helemaal geen zeep of zeeppoeder meer te krijgen en kwam er ‘‘kleizeep’’ in de handel, een product waar geen schuim af kwam en dat nauwelijks een reinigende werking had. Het gevolg was dat met krachtig borstelen getracht moest worden om vlekken uit kleding te verwijderen, wat de slijtage versnelde.’

In de gemeente Zuilen werd de Distributiedienst opgericht die moest toezien op de uitgifte van de bonnen. Deze dienst werd in eerste instantie ondergebracht in Mariëndaal, in een keet die op de stoep van de hoek van de Wethouder Plompstraat en de Clement van Maasdijkstraat stond. Later komt hier de groentewinkel van de heer de Groot en verhuisde de Distributiedienst naar de zijzaal van het Pastoor Schiltehuis.

Fotobijschrift: In een zijzaal van het Pastoor Schiltehuis, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog als kantoor van de Distributiedienst fungeerde, zien we een aantal personeelsleden van de distributiedienst van Zuilen. Vierde van links staat als we goed kijken de heer D.W. Klijnsma. Hij werkte hier van 1 augustus 1940 tot de zomer van 1945, laatstelijk als chef van de afdeling textiel.

Terug naar overzicht