Zuilen, van zelfstandige gemeente tot stadswijk. Deel 74

De Radio

Door alle maatregelen en dreiging was het in de oorlog buiten bepaald niet prettig. Televisie kijken kon nog niet en de radio’s moesten ingeleverd zijn. Zo’n radio uit die tijd, was niet zo maar iets. Het was meestal een (groot) meubelstuk waar de eigenlijke radio was ingebouwd. Vaak werd het beschouwd als het pronkstuk van de kamer en nam als zodanig een prominente plaats in.

In het bovenste gedeelte ervan bevond zich het eigenlijke ‘radioapparaat’. Het geheel kon door middel van een klep worden afgesloten, zodat alles uit het zicht was. Daaronder bevond zich wat wij thuis noemden de radiolade, waar alle denkbare rommel in werd gedeponeerd. Het onderste gedeelte van het meubel werd in beslag genomen door een reusachtige luidspreker. Deze luidspreker was verborgen achter een deur waar zich ’n mooi geplooid gordijn voor bevond.

Wanneer het apparaat werd ingeschakeld, moesten de lampen eerst op temperatuur komen. Binnen in het toestel bevonden zich allerlei typen lampen met goud- of zilverkleurige koppen, lampen met allerlei geheimzinnige gloeidraadjes, spoelen en diverse koordjes met wieltjes.

Wanneer alles eenmaal op temperatuur was, verspreidde het een geheimzinnige gloed en hoorde je een zacht bromgeluid. Voorop de afstemmingsschaal stonden, voor ons jongens, allerlei vreemde namen, zoals Gleiwitz, Brno, Katowice, Bratislawa, maar ook radio Kootwijk. Het was ’n geheimzinnige wereld, waarop je je fantasie kon loslaten.

Met enige regelmaat werd door de Duitsers jacht gemaakt op radio’s, die allemaal ingeleverd hoorden te zijn. Over zo’n jacht en de gevolgen ervan schreef de heer Kooijman een mooi verhaal: ‘Mijn moeder was erg zenuwachtig, want de radio, althans het ontvanggedeelte ervan, stond open en bloot in de rommelkast op de eerste verdieping. Weliswaar lag daar een deken overheen, maar de Duitsers zouden het apparaat onmiddellijk hebben ontdekt. Goede raad was duur. Mijn broer Jan kreeg een idee. ‘‘Ma,’’ zei hij, ‘‘we zetten hem gewoon in het kolenhok, kwakken er een stel kolen op en klaar is Kees.’’ Mijn moeder wist zo gauw ook niets anders te bedenken, want de Duitsers waren al bij de overburen. Met z’n drieën sjouwden we het zware kreng de trap af, deden de klep van het kolenhok open, en hebben hem voorzichtig tussen de kolen neergezet. Met ’n stuk zeil hadden we de radio nog ’n beetje afgedekt, want daarna moest-ie toch weer dienst gaan doen. We waren maar net op tijd, want de voordeurbel ging en de Duitsers stonden al in de gang. Gelukkig had mijn moeder haar gezicht in de plooi en mijn broer Jan en ik deden net of onze neus bloedde en we geen woord Duits verstonden. Na enkele uren was de jacht op clandestiene radio’s weer voorbij en stond het toestel, ontdaan van zijn kolenstof te wachten op nieuwe berichten van radio Oranje in Londen. Toch was het niet meer de oude vertrouwde radio van vroeger. Het leek wel of hij protesteerde. De ene keer deed-ie het prima, dan viel het geluid helemaal weg of begon hij spontaan te brommen. De enige remedie was: ’n flinke klap boven op het apparaat geven om hem weer aan het spelen te krijgen. Ik denk dat onze oude vertrouwde radio oorlogsmoe begon te worden. Een halfjaar later hield-ie er ineens helemaal mee op en waren we overgeleverd aan de leugens van de bezetter.’

Fotobijschrift:

Eind vorig jaar werd het Museum van Zuilen verblijd met een prachtige aanwinst: de radio die de heer Flierboom niet inleverde bij de bezetter. Ook de bijbehorende raamantenne was aanwezig. Maar… aan de radio ontbraken wat knoppen en de voet van de raamantenne was er niet meer bij. Wat is het Museum van Zuilen dan toch gezegend met een stel fantastische vrijwilligers! De specialist-radiokenner Jan heeft zich op de radio gestort, lampen vervangen, ontbrekende knoppen erbij gezocht en geplaatst en alles grondig en vakkundig schoongemaakt. Vorige week kwam het verheugende bericht: de radio heeft zijn eerste geluidjes (weer) gemaakt! Ondertussen had onze gepensioneerde meubelmaker ook niet stilgezeten en een mooie voet voor de raamantenne gemaakt. Het is een mooi geheel geworden. Niet zomaar neergezet natuurlijk. Onze Grote Zuilense Kunstenaar Cees Achterberg had toch van die mooie poppen gemaakt? Twee van hen zitten nu aan de radio gekluisterd. Terwijl ‘Cees’ aan de knoppen draait stelt zijn overbuurman de antenne af. Een en ander in een totaal-setting: aan de wand hangt een wandlampje uit het Julianapark-restaurant. Dezelfde wand waaraan (links) ook de oorkonde prijkt die de heer Koek kreeg als dankbetuiging van het Zuilense Verzet, terwijl aan de rechterkant het houten paneeltje hangt dat we uit Denemarken kregen. Dit paneeltje, op 4 oktober 1943 door de heer Adrianus W. van Dijk uit de Jan van der Doesstraat beschilderd met Nederlandse vlag en de tekst ‘Holland zal herrijzen’, werd als souvenir meegenomen naar Denemarken maar kwam terug naar Zuilen. De beide heren zitten op stoelen uit de Trouwzaal van het voormalig gemeentehuis van Zuilen. Ze zijn dan wel druk met het afstellen van de radio, ondanks dat het oorlog is ontbreekt het hen verder aan weinig. De twee borrelglaasjes die u ziet komen van de Zuilense Glasfabriek (stond aan de Fortlaan, naast Jachtwerf ‘De Klop’). Ze zijn nu leeg, maar er staat niet voor niets een kloeke jeneverkruik op tafel (natuurlijk van Slijterij v/h H.J. van Soest). De asbak werd in de Tweede Wereldoorlog bij Werkspoor gegoten. Daarin ligt een sigaar, maar ook de ‘amateursigaretten’ ontbreken niet in dit plaatje, net als het luciferdoosje met ‘Oranje Boven’. Achter Cees snort een potkacheltje. Deze werden in de Tweede Wereldoorlog in grote aantallen gemaakt bij… Werkspoor. Dit kacheltje werd al vele jaren geleden beloofd, het Museum van Zuilen bestond nog niet. Het werd gemaakt voor de familie Huijsen. Overigens: de heren voelen zich op hun gemak, ondanks dat zij aan een verboden radio zitten. Dat komt door het pamflet BESMETTELIJKE ZIEKTE DIPHTHERIE. (dan zou ik ook een deurtje verder lopen.)

Terug naar overzicht